Dwangsommen tegen de overheid falen in België structureel in hun doel, dit heeft zorgwekkende gevolgen voor de het recht op effectieve rechtsbescherming en de rechtsstaat.
In België woedt al enkele jaren een crisis rond de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen tegen de Staat. Het drukkingsmiddel bij uitstek, de dwangsom, speelt een centrale rol bij die tenuitvoerlegging. Hoewel algemeen aanvaard is dat dwangsommen tegen de overheid mogelijk zijn, tonen recente ontwikkelingen dat dit dwangmiddel veel minder effectief werkt tegen de overheid dan tegen private partijen.
De Belgische Staat werd al meer dan 10.000 keer veroordeeld omdat ze er niet in slaagt opvang te organiseren voor asielzoekers die daar recht op hebben. In 2023 besloot ex-staatssecretaris voor Asiel en Migratie Nicole de Moor dat de Belgische Staat die dwangsommen niet meer zou uitbetalen aan asielzoekers die gelijk kregen van de rechtbank.
Een heel ander beeld over dwangsommen tegen de overheid geven de zaken over geluidshinder rond de Brusselse luchthaven. In 2023 weigerde de federale overheid om enkele vonnissen die haar verplichtte om vliegroutes aan te passen, uit te voeren. De federale overheid betaalde daarvoor elke week in totaal 50.000 euro aan vijf Vlaamse randgemeenten, bijna 13 miljoen euro aan het Brusselse Gewest en meer dan 9 miljoen euro aan individuele inwoners uit Brussel. De kosten van de dwangsommen werden in dit dossier door de overheid dus aanvaard als een redelijke kost van het beleid.
Op het eerste zicht lijkt het alsof deze twee casussen niet meer van elkaar kunnen verschillen: in de asielzaken weigert de Belgische Staat dwangsommen te betalen, in het dossier over de vliegroutes betaalt de Staat de dwangsommen wel. Beide dossiers leiden echter tot hetzelfde gebrek aan resultaat: in de asielzaken krijgen de asielzoekers geen opvang, in het luchthavendossier worden de vliegroutes niet aangepast. De dwangsom slaagt dus niet in haar doel, namelijk de Belgische Staat dwingen tot uitvoering van een rechterlijke beslissing.
Inbeslagname van overheidsgoederen
In theorie zouden de duizenden asielzoekers die gelijk kregen van de rechter hun dwangsommen kunnen innen via uitvoerend beslag op overheidsgoederen. De mogelijkheid tot beslag op deze goederen is echter beperkt door art. 1412bis van het Gerechtelijk Wetboek, dat bepaalt dat enkel de goederen die de publieke entiteit zelf voor beslag vatbaar heeft verklaard, of de goederen die kennelijk niet nuttig zijn voor de uitoefening van haar taak of continuïteit van de openbare dienst, in beslag genomen kunnen worden. De praktijk heeft ondertussen aangetoond dat het criterium van continuïteit van de openbare diensten het beslag op overheidsgoederen zeer moeilijk maakt. In 2024 konden enkele advocaten op het kabinet van ex-staatssecretaris Nicole de Moor slechts een diepvriezer en koffiemachine in beslag nemen voor een schuld van duizenden euro’s. In 2025 lieten de Orde van Franstalige en Duitstalige balies een derdenbeslag leggen op een rekening van Fedasil (overheidsinstantie verantwoordelijk voor opvang van asielzoekers), maar de beslagrechter oordeelde dat het geld niet vatbaar was voor beslag, omdat niet was vastgesteld dat het geld kennelijk onnodig was voor de uitoefening van Fedasil’s opdracht of de continuïteit van openbare diensten. Eerder al, in 2024, legde diezelfde balie een bewarend beslag op de leegstaande gevangenis in Vorst. De procedure over de toelaatbaarheid van dit beslag loopt nog. Art. 1412bis werd in de rechtsleer eerder al beschreven als “vol van goede voornemens, maar de weg die ermee geplaveid is, leidt eigenlijk nergens toe”.
Oplossingen in Nederland?
In Nederland bepaalt het constitutioneel hoffelijkheidsbeginsel de spelregels tussen de uitvoerende en rechterlijke macht: wanneer een rechtbank een overheid aansprakelijk stelt, legt ze de overheid in beginsel geen dwangsommen op, omdat van de overheid verwacht wordt dat zij rechterlijke uitspraken uit zichzelf uitvoert. Dit beginsel lijkt echter de laatste tijd erg onder druk te staan in Nederland, aangezien in verschillende recente zaken dwangsommen tegen de Nederlandse Staat werden opgelegd.
In 2025 besliste een rechtbank dat de Nederlandse overheid een dwangsom van 10 miljoen euro aan Greenpeace zal moeten betalen als ze er in 2030 niet in is geslaagd om de Europese stikstofdoelen te behalen. In 2024 legde een Nederlandse rechtbank al een dwangsom van 50.000 euro op aan het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers voor elke keer dat er meer dan 2000 asielzoekers in het aanmeldcentrum Ter Apel verbleven. Het COA betaalde ondertussen al 5 miljoen euro aan de gemeente Westerwolde, maar een oplossing voor de drukte in het aanmeldcentrum blijft uit.
Zo lijkt Nederland, ondanks de traditie van het constitutioneel hoffelijkheidsbeginsel, ondertussen toch met dezelfde problemen als België te kampen.
Conclusie
De Belgische voorbeelden tonen aan dat dwangsommen hun overtuigingskracht verliezen tegen de overheid zodra deze ervoor kiest om de dwangsommen te negeren of eenvoudigweg als beleidskost te aanvaarden. Het Belgische executierecht voorziet geen alternatieve dwangmiddelen. Dit is uiterst zorgwekkend, nu duidelijk is dat het klassieke middel van de dwangsom geen effectieve rechtsbescherming kan bieden tegen de Staat. Daarnaast is de structurele niet-uitvoering van rechterlijke beslissingen door de Staat ook problematisch voor het vertrouwen in de rechtsstaat en de balans tussen de staatsmachten.
Lena Baeyens
Bronnen
https://www.knack.be/nieuws/belgie/nicole-de-moor-dwingen-dwangsommen-betalen/
https://www.myria.be/files/Rule_9_Camara_Myria-FIRM.pdf
https://nos.nl/artikel/2606165-opnieuw-te-veel-mensen-in-ter-apel-dwangsom-van-5-miljoen-bereikt
https://latribune.avocats.be/index.php/fr/la-surpopulation-carcerale-l-etat-de-droit-n-est-plus
