Grondrechten in de Shell-klimaatzaak
In de klimaatzaak tegen Shell, aangespannen door Milieudefensie en andere eisers, werd de civiele rechter gevraagd of Shell op grond van de maatschappelijke zorgvuldigheid verplicht kan worden haar bijdrage aan klimaatverandering te beperken. De eisers beriepen zich daarbij onder meer op het recht op leven en het recht op respect voor het gezinsleven uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
De Rechtbank Den Haag stelde voorop dat mensenrechten gelden tussen burgers en de overheid en daarom niet rechtstreeks tegenover Shell kunnen worden ingeroepen. Tegelijkertijd benadrukte de rechtbank ‘het fundamentele belang van de mensenrechten en daarin belichaamde waarden voor de samenleving als geheel’. Om die reden kunnen deze rechten volgens de rechtbank wel een rol spelen in de verhouding tussen de eisers en Shell. De rechtbank verdisconteert deze mensenrechten en waarden daarom in de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm van art. 6:162 BW.
In hoger beroep heeft het Gerechtshof Den Haag deze redenering van de rechtbank nadrukkelijk bevestigd. Het hof overwoog ‘dat de in grondrechten belichaamde waarden van zo’n groot belang voor de samenleving als geheel zijn, dat zulke rechten ook, althans tot op zekere hoogte, kunnen worden ingeroepen door burgers in hun verhouding tot een private onderneming’. Volgens het hof kan de rechter deze rechten – of de daarin belichaamde waarden – gebruiken bij de uitleg van open privaatrechtelijke begrippen, zoals hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.
Beide uitspraken illustreren daarmee een benadering waarin grondrechten worden opgevat als uitdrukking van waarden die via open privaatrechtelijke normen kunnen doorwerken in private rechtsverhoudingen. Dat grondrechten kunnen doorwerken in horizontale rechtsverhoudingen is op zichzelf niet nieuw; nieuw is wel de expliciete en principiële formulering – ontleend aan de privaatrechtelijke literatuur (Asser/Hartkamp 3-I 2023/226) – van grondrechten als waarden voor de samenleving als geheel.
Van machtsbenadering naar waardenbenadering
Voorheen werd de (indirecte) horizontale werking van grondrechten veelal gerechtvaardigd met de gedachte dat private partijen, zoals grote bedrijven, soms over een machtspositie beschikken die vergelijkbaar is met die van de overheid. In die benadering staat de bescherming van kwetsbare burgers tegen machtsuitoefening centraal.
De redenering van de Rechtbank Den Haag en het Gerechtshof Den Haag stoelt op een wezenlijk andere rechtvaardiging. Wanneer wordt gesproken over ‘in grondrechten belichaamde waarden voor de samenleving als geheel’, worden grondrechten opgevat als uitdrukking van een ideaal dat de gehele maatschappij omvat. In deze visie is de aanwezigheid van een met de overheid vergelijkbare machtspositie niet langer beslissend; de doorwerking van grondrechten wordt gerechtvaardigd – én gestimuleerd – door het gewicht van de in die rechten belichaamde waarden zelf.
Deze benadering relativeert het klassieke onderscheid tussen publiekrecht en privaatrecht. Grondrechten zoals die zijn neergelegd in de Grondwet en het EVRM zijn ontworpen om de verhouding tussen burger en overheid te reguleren, niet om de maatschappelijke orde als geheel te structureren. Weliswaar geven ze uitdrukking aan fundamentele beginselen, zoals vrijheid en gelijkheid, maar ze vormen geen uitputtende codificatie van maatschappelijke waarden. Ook het privaatrecht belichaamt fundamentele beginselen, zoals partijautonomie en contractsvrijheid. Door grondrechten te duiden als maatschappelijke waarden worden grondrechten relevant voor de gehele rechtsorde. Hun aard en fundamentele status vragen om doorwerking in alle rechtsverhoudingen – ongeacht of het gaat om publiekrecht of privaatrecht.
Vragen bij de waardenbenadering
De door de rechtbank en het hof omarmde visie op grondrechten roept naar mijn mening principiële vragen op. Dat blijkt scherp in de Shell-zaak. Daar gaat het om een algemeenbelangactie: Milieudefensie en de andere eisers willen gevaarlijke klimaatverandering tegengaan ter bescherming van de gehele mensheid. Maar beschermen grondrechten vanouds niet juist individuele, in plaats van algemene belangen? Juist ter behartiging van het algemeen belang kan de overheid individuele grondrechten beperken. De waardenbenadering faciliteert de stap van individuele rechten naar algemene belangen. Daarmee vervaagt het klassieke onderscheid tussen beide.
Tegelijk verandert deze benadering de positie van private partijen. Waar grondrechten traditioneel burgers beschermen tegen de overheid, ontstaat een omgekeerde werking: private partijen kunnen – op initiatief van andere private partijen – door de rechter worden bevraagd op hun bijdrage aan de verwezenlijking van de achter grondrechten veronderstelde waarden, dan wel op de mate waarin zij de realisatie daarvan frustreren of belemmeren. In de Shell-zaak toetst de rechter of Shell voldoende doet ter bescherming van het klimaat. Maar past het bij de aard van grondrechten dat ze ook een bron worden van plichten voor private actoren om hun handelen te rechtvaardigen en zo nodig maatregelen te nemen?
Daarnaast rijzen institutionele vragen. Wanneer private partijen niet alleen aan concrete wettelijke normen, maar ook – via open bepalingen zoals art. 6:162 BW – aan abstracte waarden worden gehouden, ontstaat voor hen een minder duidelijk juridisch kader. Welke waarden precies in grondrechten besloten liggen en welke verplichtingen daaruit voortvloeien, is immers niet zonder meer duidelijk, zodat de vaststelling daarvan door de rechter moet plaatsvinden. Als zulke verplichtingen wenselijk zijn, ligt het dan niet meer voor de hand dat de wetgever deze vastlegt? Dat waarborgt niet alleen democratische legitimiteit, maar bevordert ook rechtszekerheid en gelijke behandeling.
De Hoge Raad aan zet
De klimaatzaak tegen Shell is nog niet ten einde. Milieudefensie heeft cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof, zodat het nu aan de Hoge Raad is om zich over deze kwestie uit te spreken. Het zal interessant zijn te zien of de Hoge Raad de formulering over de in grondrechten belichaamde waarden voor de samenleving als geheel zal overnemen, en daarmee de waardenbenadering van grondrechten in het privaatrecht expliciet bevestigt. Daarbij staat meer op het spel dan alleen de uitkomst van één klimaatzaak: de Hoge Raad zal antwoord moeten geven op de vraag welke rol grondrechten in private verhoudingen mogen en moeten spelen.
Dr. Maarten Stremler
